DEEL 2 — DE MILJARDAIR DIE MIJ NIET KON VERGETEN
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
Dus deed ik wat ik altijd deed wanneer ik nerveus werd.
Ik werkte.
Ik keek naar het infuus.
Controleerde haar bloeddruk.
Noteerde haar medicatie.
En vooral…
ik keek niet naar Alexander.
“Uw bloeddruk is stabiel,” zei ik tegen Anna.
“Dat is goed nieuws,” antwoordde ze.
Toen keek ze naar haar zoon.
“Alexander, ga je daar de hele ochtend zo staan?”
Hij glimlachte.
“Ik wilde je niet storen.”
“Je stoort me niet.”
Anna keek tussen ons heen en weer.
Ik zag de nieuwsgierigheid in haar ogen.
Dat beviel me helemaal niet.
“Isabella,” zei ze, “ken jij mijn zoon al?”
Ik voelde mijn gezicht warm worden.
“Niet echt.”
Alexander trok een wenkbrauw op.
“Dat is een interessante omschrijving.”
Ik keek hem eindelijk aan.
“Wij hebben elkaar toevallig ontmoet.”
“Een heel bijzondere toevallige ontmoeting,” voegde hij eraan toe.
Anna keek verbaasd.
“Wat voor ontmoeting?”
“Geen interessante,” zei ik snel.
Alexander lachte zacht.
“Ze stapte in mijn auto.”
Anna begon te lachen.
“Wat?”
Ik sloot even mijn ogen.
Daar ging mijn professionele waardigheid.
“Het was donker,” verdedigde ik mezelf.
“En ik was moe.”
“Ze viel in slaap naast mij,” zei Alexander.
“Dat hoefde je niet te vertellen.”
“Ik vond het eigenlijk wel charmant.”
Ik keek hem aan.
“U vond het charmant?”
“Ja.”
“U had me ook kunnen vertellen dat ik in de verkeerde auto zat.”
“Ik heb het geprobeerd.”
Ik fronste.
“Wanneer?”
“Toen je al sliep.”
Anna begon opnieuw te lachen.
“Volgens mij heeft mijn zoon eindelijk iemand ontmoet die niet onder de indruk van hem is.”
“Daar vergist u zich in,” zei ik.
“Waarin?”
“Ik ben juist heel erg onder de indruk.”
Alexander keek me nieuwsgierig aan.
“Waarvan?”
“Van hoe ongelooflijk gênant uw chauffeur die avond keek toen ik uit de auto rende.”
Anna barstte in lachen uit.
Zelfs Alexander moest lachen.
En tot mijn eigen verbazing lachte ik mee.
Voor het eerst sinds mijn nachtdienst voelde ik me ontspannen.
Maar slechts enkele seconden.
Want toen kwam een verpleegkundige haastig de kamer binnen.
“Isabella, dokter Van Rijn zoekt je.”
“Nu?”
“Ja. Het is dringend.”
Ik knikte.
“Anna, ik kom later terug.”
“Ga maar.”
Ik liep naar de deur.
“Isabella.”
Ik draaide me om.
Anna keek me aan.
“Kom straks terug.”
Ik glimlachte.
“Natuurlijk.”
Toen keek ze naar Alexander.
“En jij ook.”
Alexander knikte.
Maar zijn ogen bleven op mij gericht.
* * *
Op de gang wachtte dokter Van Rijn.
Hij zag er ernstig uit.
“Wat is er?”
“Een patiënt van afdeling drie heeft een complicatie.”
“Welke?”
“Postoperatieve bloeding.”
Mijn professionele instinct nam onmiddellijk over.
“Wie?”
Hij noemde de naam.
Ik kende hem.
Een jonge man van tweeëndertig.
Ik rende naar de afdeling.
De komende twintig minuten waren chaos.
Artsen.
Verpleegkundigen.
Apparatuur.
Bloed.
Opdrachten.
Ik werkte automatisch.
Toen de toestand eindelijk stabiel werd, leunde ik tegen de muur.
Mijn handen trilden.
“Goed gedaan,” zei dokter Van Rijn.
Ik knikte.
“Dank u.”
Ik wilde net teruglopen naar Anna's kamer toen ik een bekende stem hoorde.
“Je bent hier dus.”
Ik draaide me om.
Alexander stond aan het einde van de gang.
“Wat doet u hier?”
“Mijn moeder bezoeken.”
“Dat weet ik.”
“Dan weet je ook waarom.”
Ik keek naar de klok.
“U hoeft niet op mij te wachten.”
“Ik wacht niet.”
“U staat letterlijk op mij te wachten.”
Hij glimlachte.
“Misschien.”
Ik zuchtte.
“Mijnheer De Winter…”
“Alexander.”
“Alexander.”
“Beter.”
“U bent een patiëntfamilielid.”
“Dat klopt.”
“En ik ben verpleegkundige.”
“Dat weet ik.”
“Dus er kan niets gebeuren.”
Zijn glimlach verdween.
“Wie zei dat ik iets wilde laten gebeuren?”
Ik wist niet wat ik daarop moest antwoorden.
Toen kwam Anna's arts langs.
“Alexander, ik wilde u net spreken.”
Hij keek onmiddellijk ernstig.
“Is er iets mis?”
“Uw moeder heeft gereageerd op de behandeling, maar we willen haar vannacht nog observeren.”
Alexander knikte.
“Dank u.”
Ik keek naar hem.
Voor het eerst zag ik niet de miljardair.
Niet de man uit tijdschriften.
Maar een zoon die bang was zijn moeder kwijt te raken.
* * *
Later die avond liep ik terug naar Anna's kamer.
Ze sliep.
Alexander zat naast haar bed.
Zijn jasje hing over de stoel.
Zijn mouwen waren opgerold.
Hij keek naar zijn moeder alsof zij de enige persoon ter wereld was.
Ik controleerde haar infuus.
“Ze slaapt rustig.”
“Dank je.”
Ik knikte.
Toen wilde ik vertrekken.
“Isabella?”
Ik keek om.
“Ja?”
“Mag ik je iets vragen?”
“Dat hangt ervan af.”
“Waarom vluchtte je die avond zo snel?”
Ik glimlachte.
“Omdat ik me schaamde.”
“Waarvoor?”
“Omdat ik in de verkeerde auto was gestapt.”
“Dat hoefde niet.”
“Ik was naast een vreemde man in slaap gevallen.”
Hij keek me aan.
“En als je had geweten wie ik was?”
“Dan was ik waarschijnlijk nog sneller weggerend.”
Hij lachte.
“Waarom?”
“Omdat ik niets met rijke mensen te maken wil hebben.”
Hij keek verbaasd.
“Waarom niet?”
“Omdat geld problemen ingewikkelder maakt.”
“En arme mensen hebben geen problemen?”
“Natuurlijk wel.”
“Dus?”
“Maar rijke mensen kunnen ze voor je verbergen.”
Hij zweeg.
Ik dacht dat ik hem had beledigd.
Maar toen glimlachte hij.
“Je bent anders.”
“Dat zeggen mensen altijd wanneer ze niet weten wat ze van me moeten vinden.”
“Ik weet precies wat ik van je vind.”
Ik keek hem aan.
“Wat dan?”
“Dat je eerlijk bent.”
Mijn hart maakte een kleine sprong.
Ik keek snel weg.
“Goedenacht, Alexander.”
“Goedenacht, Isabella.”
Ik liep de kamer uit.
Maar toen ik de gang op liep, hoorde ik hem achter me zeggen:
“Tot morgen.”
Ik draaide me om.
“Waarom?”
Hij glimlachte.
“Omdat mijn moeder morgen waarschijnlijk nog steeds hier ligt.”
Ik glimlachte terug.
“Waarschijnlijk.”
* * *
De volgende ochtend kwam ik vroeg aan.
Ik had nauwelijks geslapen.
Niet vanwege werk.
Maar vanwege één vraag die ik mezelf bleef stellen.
Waarom dacht ik steeds aan hem?
Ik liep naar Anna's kamer.
Maar voordat ik de deur opende, hoorde ik stemmen.
Een mannenstem.
Alexander.
En een andere stem.
“Ze mag niets weten.”
Ik stopte.
Mijn hand bleef boven de deurklink hangen.
“Ze is nog steeds niet achterdochtig,” zei de onbekende man.
Alexander antwoordde scherp:
“Dat moet zo blijven.”
“En als ze ontdekt wie haar vader is?”
Mijn hart stopte.
Haar vader?
Ik bleef doodstil staan.
De andere man sprak opnieuw.
“Dan komt alles uit.”
Alexander antwoordde:
“Daarom moet Isabella zo snel mogelijk uit dit ziekenhuis.”
Mijn adem stokte.
Ik wist niet waarom ze over mij spraken.
Maar ik wist één ding zeker.
Dit ging niet over een toevallige ontmoeting.
Niet over Anna.
Niet over een verkeerde SUV.
Ze hadden het over mij.
Ik deed voorzichtig een stap achteruit.
Toen kraakte de vloer.
De stemmen binnen stopten.
De deur ging open.
Alexander stond recht tegenover mij.
Zijn gezicht was veranderd.
Geen glimlach.
Geen warmte.
Alleen pure schrik.
“Isabella…”
Ik keek hem recht aan.
“Wie is mijn vader?”
Hij verstijfde.
Achter hem stond een onbekende man.
En toen ik hem zag, herkende ik iets in zijn gezicht.
Iets wat ik mijn hele leven in de spiegel had gezien.
De man fluisterde:
“Ze lijkt precies op haar moeder.”
Ik voelde mijn hart bonzen.
Alexander sloot langzaam de deur achter zich.
“Isabella, we moeten praten.”
Ik deed een stap achteruit.
“Nee.”
Mijn stem trilde.
“Nu wil ík antwoorden.”
En voor het eerst sinds onze ontmoeting…
zag ik angst in de ogen van de miljardair.
WORDT VERVOLGD…






