DEEL 6
Het schot galmde door het hele huis.
June begon te huilen.
Ik drukte haar tegen me aan.
Wesley greep mijn hand.
“Blijf bij mij.”
Nog een schot.
Dit keer dichterbij.
Margaret keek naar Richard.
“Ze zijn hier niet voor de politie.”
Richard knikte.
“Ik weet het.”
Alexander trok zijn telefoon uit zijn zak.
“Hoeveel?”
“Minstens vier,” zei Richard.
Ik keek hem aan.
“Hoe weet je dat?”
“Omdat ik ze ken.”
De man die ik mijn hele leven dood had gewaand, keek naar mij.
“En als ze jou vinden, zullen ze niet vragen waar de documenten zijn.”
“Wat doen ze dan?”
Hij keek naar June.
“Ze nemen haar mee.”
Mijn hart brak bijna.
“Nee.”
Ik drukte mijn dochter steviger tegen me aan.
“Niemand raakt haar aan.”
Alexander keek naar mij.
“Dan moet je luisteren.”
“Ik luister naar niemand van jullie.”
“Dan sterft ze.”
Wesley draaide zich woedend naar hem om.
“Hou je mond.”
Alexander keek hem kalm aan.
“Jij weet dat ik gelijk heb.”
Wesley balde zijn vuisten.
“Je komt niet bij haar.”
“Dat beslis jij niet.”
Richard liep naar de muur.
Hij duwde een verborgen paneel open.
Daarachter verscheen een smalle doorgang.
“Hier.”
Ik keek naar hem.
“Waar gaat die heen?”
“Buiten.”
“En jij?”
“Ik blijf.”
“Waarom?”
Hij keek naar Wesley.
“Omdat iemand hen moet tegenhouden.”
Wesley schudde zijn hoofd.
“Je gaat niet alleen.”
Richard keek zijn zoon lang aan.
“Je hebt me zeventien jaar gemist.”
Wesley slikte.
“Ik wist niet dat je leefde.”
“Dat weet ik.”
“Waarom heb je nooit contact opgenomen?”
Richard keek naar Margaret.
“Omdat ik dacht dat jouw moeder je zou beschermen.”
Margaret sloot haar ogen.
“Ik heb geprobeerd.”
Richard lachte bitter.
“Je hebt hem tegen zijn eigen vader opgezet.”
“Ik wilde hem beschermen!”
“Door hem te laten geloven dat ik dood was?”
“Je weet niet wat ik moest doen!”
Ik keek naar hen.
“Genoeg!”
Iedereen zweeg.
“Ik heb genoeg gehad van jullie geheimen.”
Ik wees naar Richard.
“Mijn vader.”
Toen naar Margaret.
“Mijn moeder.”
Daarna naar Wesley.
“Mijn man.”
“Jullie hebben allemaal beslissingen over mijn leven genomen zonder mij ooit iets te vertellen.”
Ik keek naar June.
“Maar niemand neemt nog een beslissing over haar.”
Ik pakte de doos.
“Kom.”
Wesley volgde me direct.
Richard hield hem tegen.
“Wesley.”
Mijn man stopte.
“Wat?”
“Als je met haar meegaat, is er geen weg terug.”
Wesley keek naar mij.
Daarna naar June.
“Dan ga ik.”
Richard knikte langzaam.
“Dan ben je eindelijk mijn zoon.”
We gingen de verborgen doorgang in.
De deur sloot achter ons.
De gang was smal en donker.
Ik liep zo snel als ik kon.
Achter ons hoorden we stemmen.
Daarna een harde knal.
Wesley trok me vooruit.
“Niet stoppen.”
“Waar gaat deze tunnel heen?”
“Volgens mijn vader naar de oude kapel.”
“Hoe weet je dat?”
“Ik heb hier vroeger gespeeld.”
Ik keek hem aan.
“Je hebt nooit verteld dat er tunnels onder je huis lagen.”
“Er zijn veel dingen die ik je nooit heb verteld.”
“Dat weet ik.”
Hij keek naar de grond.
“Ik had het moeten vertellen.”
“Ja.”
We bereikten een metalen deur.
Wesley duwde hem open.
We kwamen uit in een verlaten kapel achter het landgoed.
De regen sloeg tegen de ramen.
Ik zette June voorzichtig in de auto.
Toen hoorde ik een motor.
Een zwarte wagen stopte bij de poort.
Twee mannen stapten uit.
Wesley keek om zich heen.
“Ze hebben ons gevolgd.”
“Rijden.”
Hij sprong achter het stuur.
De auto schoot weg.
Ik keek achterom.
De mannen renden naar buiten.
Een van hen hield iets omhoog.
Een pistool.
Ik dook instinctief omlaag.
Een kogel sloeg tegen de achterruit.
June huilde.
“Alles goed,” fluisterde ik.
“Alles goed, mama is hier.”
Wesley reed steeds sneller.
“Waar gaan we heen?”
“Naar mijn vaders oude huis.”
“Waarom?”
“Daar ligt misschien het enige bewijs dat je vader heeft achtergelaten.”
Ik keek naar mijn telefoon.
De verbinding met mijn vader was nog open.
“Papa?”
Geen antwoord.
“Papa!”
Een paar seconden later klonk zijn stem.
“Nora.”
“Waar ben je?”
“Luister naar me.”
“Waar ben je?”
“Je moet naar Rotterdam.”
Ik fronste.
“Waarom?”
“Er is een kluis onder station Blaak.”
“Wat zit daarin?”
“De waarheid.”
“Over June?”
“Over jou.”
Ik voelde mijn hart zakken.
“Wat bedoel je?”
Hij antwoordde:
“June is niet het kind dat jij denkt dat ze is.”
Mijn adem stokte.
“Papa…”
“De vrouw die je June noemt…”
De verbinding begon te kraken.
“Wat?”
“…is niet…”
“Papa!”
De lijn viel weg.
Ik keek naar Wesley.
“Wat zei hij?”
Wesley keek me aan.
“Wat?”
“Hij zei dat June niet het kind is dat ik denk dat ze is.”
Wesleys handen klemden zich om het stuur.
“Nora…”
“Wat weet jij?”
“Niets.”
“Stop met liegen!”
Hij keek me aan.
“Ik zweer het.”
Toen begon mijn telefoon opnieuw te trillen.
Een bericht.
Van mijn vader.
Maar deze keer stond er geen tekst.
Alleen een foto.
Ik opende hem.
Mijn adem stokte.
Het was een foto van mij als baby.
In de armen van mijn vader.
Maar naast hem stond Margaret.
En achter Margaret stond een tweede baby.
Een baby die precies dezelfde gouden armband droeg als June.
Onder de foto stond:
JE HEBT NOOIT EEN DOCHTER GEKREGEN, NORA.
Ik voelde mijn handen trillen.
Daaronder verscheen een tweede bericht:
KIJK IN DE KLUIS. JE ZULT ONTDEKKEN WIE JE DOCHTER WERKELIJK IS.
Ik keek naar June.
Ze sliep rustig.
Mijn hart brak.
Want voor het eerst durfde ik de gedachte toe te laten die ik al die tijd had geweigerd.
Wat als June werkelijk niet mijn biologische dochter was?
En als dat waar was…
wie had ik dan vijf weken lang in mijn armen gehouden?






