News Story

Hier is de uitgebreide en meeslepende voortzetting van het verhaal. Elke aflevering is nu met veel detail en drama uitgewerkt tot een volwaardig hoofdstuk.

2 weergaven

DEEL 17

De deur viel achter ons dicht.

Ik hoorde het slot klikken.

Iedereen verstijfde.

De politieagent richtte zijn wapen op Thomas.

“Laat het pistool vallen!”

Thomas keek naar het zwarte wapen in zijn hand.

“Ik heb het niet gepakt.”

“Laat het vallen!”

Langzaam liet hij het pistool op de grond vallen.

Daniel keek hem aan.

“Heb jij mijn vader vermoord?”

Thomas schudde zijn hoofd.

“Nee.”

“Waarom heb je dan een wapen?”

“Ik weet het niet.”

Eva begon te huilen.

“Hij liegt niet.”

Ik keek naar haar.

“Hoe weet je dat?”

“Omdat ik weet wie hem dit heeft gegeven.”

De politieagent keek haar scherp aan.

“Wie?”

Eva wees naar de vloer.

“Onder die kast.”

De agent schoof de kast opzij.

Daar lag een kleine zwarte zender.

Een rood lampje knipperde.

“Een afstandsbediening,” zei hij.

Thomas keek ernaar.

“Dat is geen afstandsbediening.”

“Wat dan?”

Thomas werd bleek.

“Een ontsteker.”

Mijn hart sloeg over.

“Waarvoor?”

Thomas keek naar het plafond.

“Explosieven.”

Daniel keek om zich heen.

“Je maakt een grap.”

“Dat zou ik willen.”

Op dat moment klonk er een harde klik.

Daarna nog één.

De lichten begonnen te knipperen.

De politieagent riep:

“ALLEMAAL NAAR BUITEN!”

Maar de deur zat op slot.

Hij probeerde het slot open te schieten.

Geen beweging.

Thomas rende naar de andere kant van de kamer.

“Er moet een tweede uitgang zijn.”

“Waar?”

“Hier.”

Hij duwde tegen een oude boekenkast.

Achter de kast verscheen een smalle deur.

Daniel hielp hem.

Samen kregen ze de deur open.

Een koude luchtstroom kwam naar binnen.

We renden de tunnel in.

Achter ons klonk een explosie.

De muren trilden.

Eva viel.

Ik trok haar overeind.

“Kom!”

We renden verder.

Toen klonk een tweede explosie.

Stof viel van het plafond.

Daniel greep mijn hand.

“Mam!”

“Ik ben hier!”

We bereikten een oude uitgang aan de achterkant van het ziekenhuis.

De politieagent kwam als laatste naar buiten.

Achter ons stond het gebouw in rook.

Ik keek naar Thomas.

Hij had bloed aan zijn voorhoofd.

“Wie heeft dit gedaan?”

Hij keek naar mij.

“Degene die wist dat we hier zouden zijn.”

Daniel haalde zijn telefoon tevoorschijn.

“Wacht.”

“Wat?”

Hij liet het scherm zien.

Er stond één nieuw bericht.

“Gefeliciteerd met je dertigste verjaardag, Daniel.”

Daaronder stond:

“Je hebt nu alles wat van je vader was.”

Daniel keek me aan.

“Wat betekent dat?”

Ik dacht aan de geheime rekening.

Aan de erfenis.

Aan Richard.

Toen kwam er nog een bericht.

“Maar je hebt nog niet wat ik wil.”

Een paar seconden later verscheen de laatste zin.

“Je moeder.”

Mijn bloed werd koud.

Ik keek om me heen.

“Waar is Eva?”

Niemand antwoordde.

Daniel draaide zich om.

Ze was verdwenen.

“Eva!”

We renden terug naar de uitgang.

Niets.

Geen spoor.

Alleen haar tas lag op de grond.

Ik pakte hem op.

Binnenin zat een oude foto.

Ik draaide hem om.

Op de achterkant stond:

“Als Anna ooit achter de waarheid komt, breng haar dan naar kamer 17.”

Daniel keek naar het ziekenhuis.

“Is er een kamer 17?”

Thomas knikte.

“Ja.”

“Waar?”

Thomas keek naar de brandende ramen.

“Onder het gebouw.”

Ik voelde mijn hart bonzen.

“Maar het ziekenhuis staat in brand.”

Thomas keek me aan.

“De kelder niet.”

Op dat moment kwam de politieagent naar ons toe.

“Er is iets anders.”

“Wat?”

Hij hield Eva's telefoon omhoog.

“Ze heeft vlak voordat ze verdween één bericht verstuurd.”

“Aan wie?”

Hij keek naar mij.

“Aan u.”

Mijn handen begonnen te trillen.

“Wat stond erin?”

Hij gaf me de telefoon.

Op het scherm stond slechts één zin:

“Anna, vergeef me. Ik heb je zoon dertig jaar lang beschermd tegen de verkeerde persoon.”

Daniel keek naar mij.

“Welke verkeerde persoon?”

Ik keek naar Thomas.

Toen naar het brandende ziekenhuis.

En ineens begreep ik het.

Eva was niet gevlucht.

Ze was naar kamer 17 gegaan.

Om iemand te ontmoeten.

Iemand die al dertig jaar dood had moeten zijn.

Ik draaide me om.

“Thomas.”

“Ja?”

“Je zei dat Richard dood was.”

“Ja.”

“Maar jij hebt nooit zijn lichaam gezien.”

Thomas werd stil.

Ik voelde een ijzige angst door me heen gaan.

“Niemand van ons heeft Richards lichaam ooit gezien.”

De politieagent keek mij aan.

“Wat probeert u te zeggen?”

Ik keek naar de rook boven het ziekenhuis.

“Richard is misschien nooit gestorven.”

Op dat moment hoorde ik achter ons een stem.

Een stem die ik al weken niet meer had gehoord.

Een stem die ik onmiddellijk herkende.

“Anna.”

Ik draaide me om.

En daar stond Richard.

Levend.

Ouder.

Maar onmiskenbaar mijn echtgenoot.

Hij keek naar Daniel.

En zei:

“Het spijt me, zoon. Maar alles wat je tot nu toe hebt gehoord… was een leugen.”