Ik stond op van het bankje bij de bushalte, mijn knieën knikten nog van de uitputting, maar mijn geest was helderder dan ooit. Ik kon niet zomaar naar het dichtstbijzijnde politiebureau rennen. Pendelton was een machtig man met vertakkingen in de hele stad; hij had dertig jaar lang een moord in de doofpot weten te houden. Als ik zomaar een willekeurig bureau binnenstapte, riskeerde ik dat het bewijs in de verkeerde handen terechtkwam voordat ik zelfs maar een rechercheur te spreken kreeg.
Ik moest rechtstreeks naar de hoofdkluis van de Nationale Handelsbank in het centrum van de stad. Pas als ik het fysieke dossier uit kluis 402 in handen had en het samen met de USB-stick aan de federale recherche kon overhandigen, zou Marcus veilig zijn en zou de gerechtigheid zegevieren.
Ik keek op mijn horloge. Het was tien over twee 's middags. De banken sluiten om vier uur. Ik had minder dan twee uur om aan de andere kant van de stad te komen, de kluis te openen en te voorkomen dat Pendelton en zijn mannen Marcus iets aan de hand deden.
Ik wenkte een naderende taxi. De chauffeur, een oudere man met een vriendelijk gezicht, keek me bezorgd aan toen ik instapte. "Mevrouw, gaat het wel? U ziet er pips uit."
"Naar de hoofdvestiging van de Nationale Handelsbank in het centrum, alstublieft," zei ik zo beheerst mogelijk. "En wilt u snel zijn? Het is een noodgeval."
Terwijl de taxi zich door het drukke stadsverkeer werkte, pakte ik mijn telefoon. Het scherm was gebarsten door de val in het appartement, maar hij werkte nog. Ik zocht naar het nummer dat Marcus me kort daarvoor had gegeven – het directe nummer van een rechercheur van de federale recherche met wie hij vertrouwelijk contact had gezocht over de verdwijning van zijn vader.
Het overgaan van de telefoon klonk als een martelgang.
"Met rechercheur Jansen," klonk een strakke, professionele stem aan de andere kant van de lijn.
"Rechercheur Jansen! Mijn naam is Eleanor Vance," zei ik gehaast. "Ik ben de tante van Marcus. Hij is in gevaar!"
Er viel een korte stilte aan de lijn. "Mevrouw Vance? Marcus heeft me over u verteld. Waar bent u nu? Wat is er gebeurd?"
Ik legde het hem in sneltreinvaart uit: de ontvoering bij het bankfiliaal, de ontmoeting met Pendelton, de inval in mijn appartement en het gevecht op zolder.
"Luister naar mij, Eleanor," zei Jansen met een dringende toon. "Arthur Pendelton staat al maanden op onze radar voor grootschalige fraude, maar we hadden nooit hard bewijs dat hem aan de verdwijning van Julian Vance linkte. Als u zegt dat er een USB-stick en een kluissleutel zijn, moet u uiterst voorzichtig zijn. Ik stuur direct een eenheid naar uw appartement om Marcus te ontzetten!"
"En ik?" vroeg ik. "Ik ben onderweg naar de kluis in het centrum."
"Ga de bank niet alleen binnen," waarschuwde Jansen. "Pendelton heeft gegarandeerd mensen gestationeerd bij het hoofdkantoor zodra hij doorheeft dat u de sleutel heeft. Wacht op mij bij de ingang. Ik ben er over twintig minuten."
"Begrepen," zei ik, maar diep van binnen wist ik dat twintig minuten te lang kon zijn.
Toen de taxi tien minuten later stopte voor het imposante, marmeren gebouw van de Nationale Handelsbank, zag ik het meteen. Aan de overkant van de straat stond een zilverkleurige SUV met draaiende motor. Binnenin zaten twee mannen in strakke pakken die de hoofdingang scherp in de gaten hielden. Pendeltons mannen.
Ze wisten dat als ik de sleutel had gevonden, dit de enige plek was waar ik heen zou gaan.
Ik liet de taxichauffeur op een zijstraat stoppen en bleef achter in het voertuig zitten. Mijn hart sloeg in mijn keel. Als ik probeerde via de hoofdingang naar binnen te lopen, zouden ze me onderscheppen voordat ik de kluisruimte zelfs maar bereikte.
Ik keek naar de zijkant van het massieve bankgebouw. Er was een goedereningang voor geldtransporten, afgesloten met een zwaar rolhek, en een kleine personeelsdeur.
Op dat moment trilde mijn telefoon. Een tekstbericht van een onbekend nummer:
We hebben de jongen. Als je de sleutel niet binnen 15 minuten naar de oude loods brengt, overleeft hij het niet. Geen politie.
Er was een foto bijgevoegd: Marcus, vastgebonden op de houten stoel in de loods, met een bloedende snijwond aan zijn slaap, maar nog steeds met die trotze, onbuigzame blik in zijn ogen.
Mijn wereld stelde scherp. Ik kon niet wachten op rechercheur Jansen. Als ik wachtte, zou Marcus sterven. Ik moest NU die kluis in.
Ik stapte de taxi uit, trok de sjaal die ik droeg strakker om mijn gezicht om niet op te vallen, en glipte de steeg in richting de personeelsdeur van de bank.





