De scherpe, doordringende geur van benzine vulde binnen enkele seconden de koude lucht van de crypte. Het klotsende geluid van de vloeistof die over de stenen vloer en tegen de oude houten sarcofagen werd gegoten, klonk als een genadeloze aftelling.
Barend van der Meer deed een stap achteruit, zijn ogen wijd opengesperd van ongeloof en verraad. 'Sanders... we hadden een afspraak! Ik heb je naar het meisje gebracht! Ik heb je het spoor naar de tafel gewezen!'
'Je was nuttig, Barend,' zei Sanders zonder zijn blik van ons af te wenden. Zijn pistool bleef strak op mijn borst gericht. 'Maar je bent een los eindje. Net zoals Hendrik dat was. Alleen heeft Hendrik veertig jaar lang zijn mond gehouden, terwijl jij steeds zenuwachtiger werd zodra dat meisje in de papieren begon te wroeten.'
Femke hield de zware eikenhouten kist stevig tegen haar borst geklemd. Ik voelde haar lichaam trillen tegen de mijne, maar haar blik was strak en vastberaden.
'Je komt hier niet mee weg, Sanders,' zei Femke met een harde stem. 'De hele buurt heeft het lawaai in het klooster gehoord. De politie is onderweg!'
'In deze regen en op dit uur?' lachte Sanders koud. 'Tegen de tijd dat het alarm afgaat, staat deze crypte in lichterlaaie en liggen jullie hier als drie niet-geïdentificeerde slachtoffers van een tragische woningbrand in een oud pand.'
Hij trok een zware metalen aansteker uit zijn zak en flipte het dekseltje open. De kleine, gele vlam lichtte op in het duister en wierp grillige schaduwen op de bakstenen gewelven.
Op dat exacte moment gebeurde er iets wat niemand had verwacht.
Barend van der Meer, gedreven door de wetenschap dat hij net zo goed een doelwit was, bedacht zich geen seconde. Met een woedende brul wierp hij zijn zware lichaam tegen de man die de benzinekan vasthield.
De twee mannen smakten met een harde klap tegen de stenen muur. De benzinekan rolde over de vloer en de rest van de brandstof stroomde rechtstreeks naar de voeten van Sanders.
'Jij verrader!' schreeuwde Barend, terwijl hij wanhopig probeerde het pistool uit de hand van de handlanger te grijpen.
Sanders schrok van de plotselinge aanval. Zijn hand trilde en de brandende aansteker glipte uit zijn vingers.
Het vuur raakte de benzine op de vloer.
Met een luide, wrijvende WHOOSH explodeerde een muur van vuur tussen ons en Sanders. Felle, oranje vlammen schoten omhoog naar het gewelfde plafond. De hitte was onmiddellijk verzengend en dikke, zwarte rook begon de ruimte binnen te stromen.
'Mam! Nu!' gilde Femke.
In de chaos van het vuur en het geschreeuw van de vechtende mannen greep Femke mijn arm. We keerden ons om naar de donkere hoek achter de stenen tafel, waar een smalle doorgang in de muur zat—een oude ventilatieschacht die dieper het ondergrondse gangenstelsel van het klooster in leidde.
'Hier langs! Papa schreef dat de gangen naar de oude kelder van de brouwerij leiden!' riep Femke, terwijl ze de zware kist met de documenten krampachtig vastkleedde.
We doken de smalle, lage gang in. Ik moest bukken om mijn hoofd niet te stoten tegen de ruwe bakstenen. Achter ons hoorden we de paniekerige schoten van Sanders, maar de kogels ketsten nutteloos af op de stenen ingang van de gang. De zwarte rook van de benzinebrand werd door de trek in de tunnel meegezogen en begon onze keel te branden.
'Blijf laag, mam!' hoestte Femke, terwijl ze wankelend voorop ging in de duisternis.
We kroopen en snelwandelden door een doolhof van smalle ondergrondse gangen. Mijn longen smeekten om schone lucht en mijn knieën deden helse pijn van de ruwe stenen vloer, maar de drang om te overleven hield me op de been.
Na wat een eeuwigheid leek, begon de gang te stijgen. De geur van rook werd minder en ik rook opnieuw de frisse, natte buitenlucht. Aan het einde van de tunnel zagen we een roestig ijzeren hekwerk dat de uitgang naar een verdiept binnenhofje van de oude kloosterbrouwerij afsloot.
Femke duwde tegen het hek. Het kettingslot was oud en verroest. Met een wanhopige krachtsinspanning ramde ze de hoek van de zware eikenhouten kist tegen het slot.
Het verroeste kettingschakel brak met een scherpe klik.
Het hek zwaaide open. We vielen vrijwel letterlijk naar buiten op de kletsnatte keien van het binnenhofje.
De regen viel nog steeds gestaag uit de zwarte hemel, maar op dit moment voelde het ijskoude water op mijn gezicht als de grootste zegen uit mijn leven.
In de verte, boven de daken van het klooster, zagen we dikke, zwarte rookwolken de lucht in krullen, rood verlicht door de vuurgloed die door de kapelramen sloeg. En toen… klonk in de verte het bevrijdende geluid van naderende sirenes.
Minstens vier politiewagens en een brandweerwagen kwamen met gierende banden de straat aan de voorkant van het klooster in gereden.
Femke zakte door haar hoeven op de natte straten en klemde de houten kist tegen zich aan. Ze begon te huilen—geen tranen van angst meer, maar van pure ontlading.
Ik ging naast haar op de natte stenen zitten en sloeg mijn armen om haar heen. We waren veilig.
Dacht ik.
Totdat een donkere gedaante wankelend uit een van de zijdeuren van het hofje stapte.
Zijn kleding was aan de randen verzengd, zijn gezicht bedekt met roet en bloed. In zijn hand glom het pistool in het omgevingslicht van de straatlantaarns.
It was Sanders. En zijn ogen waren recht op ons gericht.






