'Lopen!' schreeuwde ik.
We bedachten ons geen seconde. We sprongen over de lage hagen van het park en renden in de richting van de verlichte straten van de Zwolse binnenstad. De regen gierde om onze horen, maar het geluid van zware voetstappen die ons op de hielen zaten, was luider.
Sanders' mannen waren jonger en sneller dan Barend, maar de smalle, middeleeuwse steegjes van de oude stad gaven ons een klein voordeel. Femke kende elke hoek, elke doorgang en elke donkere nis van het centrum. Ze trok me mee door een smalle doorgang tussen twee oude panden, over een klein binnenhofje van een monumentaal pand, en zo direct de Assendorperstraat in.
In de verte rezen de imposante, donkere contouren op van het Dominicanenklooster. De bakstenen muren en de hoge, neogotische ramen staken af tegen de oranje gloed van de stadsverlichting. Het gebouw lag er stil en verlaten bij in de nacht; de poort aan de straatzijde was gesloten met een zwaar ijzeren hek.
'Hoe komen we binnen?' pufte ik, terwijl we puffend tegen de koude stenen muur van het kloostercomplex leunden. Mijn spieren verkrampten van de uitputting.
'Aan de achterkant, bij de oude tuinman-ingang,' zei Femke, terwijl ze naar de zijkant van het terrein wees. 'Papa werkte daar in 1986 aan het herstel van de houten kozijnen. Hij schreef in zijn dagboek dat de houten deur van de bijkeuken een kapot slot had dat hij destijds nooit heeft vervangen. Hij liet een houten spie aan de onderkant achter om de deur van buitenaf op te wippen.'
We haastten ons door de smalle steeg langs de flank van de kloostermuur. Femke bukte zich bij een lage, verweerde eikenhouten deur die verscholen lag achter een dichte klimopstruik. Met trillende vingers voelde ze aan de onderkant van het hout.
'Het zit er nog...' fluisterde ze verbaasd.
Ze trok aan een klein houten spietje. Met een dof schraappend geluid veerde de deur een centimeter naar buiten. Femke duwde met haar schouder tegen het zware hout. De deur zuchtte en zwaaide langzaam open naar een pikdonkere gang.
We glipten naar binnen en Femke duwde de deur meteen weer zo ver mogelijk dicht.
De stilte binnen in het klooster was oorverdovend. De muffe geur van oud steen, bijenwas en eeuwenoud hout omhulde ons als een dikke deken. Buiten hoorden we het geluid van rennende voetstappen op de straatstenen, gevolgd door een woedende schreeuw van Sanders. Ze waren ons voorbijgerend richting de hoofdweg.
'We hebben niet veel tijd,' fluisterde ik, terwijl het zweet op mijn voorhoofd koud aanvoelde. 'Ze zullen er snel achter komen dat we niet meer op straat lopen.'
Femke haalde haar telefoon tevoorschijn en schakelde de zwakste stand van de zaklamp in. De lichtstraal verlichtte een lange, gewelfde gang met tegelvloeren. Aan de muren hingen oude religieuze schilderijen en houten kruisbeelden.
'Waar is de crypte?' vroeg ik.
'Volgens het dagboek van papa moet er een trap zijn achter het altaar in de kleine kapel aan de oostzijde,' zei Femke, terwijl ze voorzichtig voorop ging door de gang. 'De maatschap gebruikte de restauratiewerkzaamheden in de jaren tachtig om kisten met illegale documenten tijdelijk op te slaan in de ongebruikte kelders van het klooster. De broeders wisten van niets; ze dachten dat het bouwmaterialen waren.'
We liepen zo geluidloos mogelijk over de stenen vloer. Elke kraak van onze doorweekte schoenen klonk in onze oren als een donderslag. We staken de centrale binnenplaats over en bereikten de zware eikenhouten deuren van de kapel.
Toen we de kapel binnengingen, viel het weinige stadslicht door de grote glas-in-loodramen naar binnen, wat een spookachtig patroon van rood en blauw licht op de marmeren vloer wierp. Het hoge altaar van donker hout en marmer stond roerloos in het midden van de ruimte.
Femke liep rechtstreeks naar de achterkant van het altaar. Daar, half verborgen achter een zwaar fluwelen gordijn, bevond zich een lage, ijzeren deur in de muur.
In het midden van de deur zat een zwaar, roestig slot.
'Dit is het,' zei Femke met een trillende stem.
Ze trok de koperen sleutel uit haar zak. De sleutel die veertig jaar lang verborgen had gezeten onder het blad van onze keukentafel. Met inhoudende adem stak ze de sleutel in het sleutelgat. Hij paste precies.
Maar toen ze de sleutel probeerde om te draaien, gaf het slot geen krimp. Het oude ijzerwerk was door decennia van vocht en verwaarlozing volledig vastgeroest.
'Lukt het niet?' vroeg ik angstig.
'Hij zit vast!' zei Femke wanhopig. Ze duwde met al haar kracht tegen de sleutel, maar het metaal boog lichtjes door zonder dat het slot meebewoog. 'Nee, nee, nee! Niet nu!'
Op dat moment klonk er een luide knal vanaf de achterzijde van het klooster.
Het geluid van brekend hout en glazen ruiten die in stukken vielen, galmde door de lange gangen van het gebouw. Sanders en zijn mannen hadden de achterdeur gevonden en waren binnen gedrongen.
'Zoek ze!' klonk de stem van Sanders door de echoënde ruimtes. 'Ze kunnen niet ver zijn!'
Femke keek me aan met een blik van pure paniek. 'Mam, wat moeten we doen?'
Mijn oog viel op een zware, koperen kandelaar die op de rand van het altaar stond. Ik pakte de kandelaar met beide handen vast, stapte naar de ijzeren deur en richtte de zware voet van het koper precies op de grendel van het slot.
'Pas op je handen, Femke,' zei ik vastberaden.
Ik haalde zo hard uit als mijn oude armen het toelieten.






