DEEL 7 — DE MAN ACHTER DE SCHADUWEN
Het geluid van het schot bleef in mijn hoofd echoën.
Een seconde lang hoorde ik niets.
Geen stemmen.
Geen voetstappen.
Alleen mijn eigen hartslag.
“Lotte!”
Daan trok mij naar beneden.
We vielen samen achter de bank terwijl een tweede schot door de kamer ging.
Het glas van het raam spatte uiteen.
Ik voelde zijn arm stevig om mij heen.
Niet als een machtige man die zijn bezit beschermde.
Maar als een echtgenoot die bang was om zijn vrouw kwijt te raken.
“Ben je gewond?”
vroeg hij.
Ik schudde mijn hoofd.
“Waar is Milan?”
Daan keek richting de donkere gang.
Maar de plek waar zijn broer net stond…
was leeg.
Hij was verdwenen.
“Natuurlijk.”
fluisterde Daan.
“Wat?”
“Hij wilde niet winnen.”
Daan keek gespannen.
“Hij wilde chaos creëren.”
Ik begreep het niet.
“Waarom zou hij dat doen?”
Daan pakte mijn hand en trok mij overeind.
“Omdat Milan nooit zelf vecht.”
Hij keek naar de trap.
“Hij laat anderen het vuile werk doen.”
Op dat moment gingen de noodlichten aan.
Een zwak rood licht vulde de kamer.
En toen zag ik het.
Op de vloer lag een klein metalen doosje.
Naast de plek waar Milan had gestaan.
Ik keek naar Daan.
“Wat is dat?”
Zijn gezicht veranderde.
Alsof hij het meteen herkende.
“Niet aanraken.”
Maar ik had het al gezien.
Op de bovenkant stond één naam.
THOMAS DE WIT.
Mijn vader.
Mijn adem stokte.
“Dit…”
Ik wees naar het doosje.
“Dit was van mijn vader?”
Daan knikte langzaam.
“Ja.”
“Waarom heb jij dit?”
Hij keek weg.
En opnieuw voelde ik die pijnlijke twijfel.
Alsof ik steeds dichter bij de waarheid kwam, maar elke waarheid mij meer pijn deed.
“Omdat je vader mij vertrouwde.”
Ik lachte bitter.
“Mijn vader vertrouwde jou?”
Ik keek naar hem.
“Dezelfde man die mijn hele leven verborgen heeft gehouden?”
Daan accepteerde mijn boosheid.
Hij verdiende het.
“Ik wilde je beschermen.”
“Stop met dat woord.”
Mijn stem werd harder.
“Elke keer dat je zegt dat je mij wilde beschermen, betekent het dat je iets voor mij hebt verborgen.”
Hij zweeg.
En dat was pijnlijker dan een antwoord.
Plotseling hoorde ik geluid buiten.
Auto’s.
Meerdere.
Daan liep naar het raam en keek naar de straat.
Zijn gezicht werd bleek.
“Ze zijn niet gekomen voor mij.”
Ik voelde een koude rilling.
“Waarvoor dan?”
Hij keek naar mij.
“Voor jou.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Waarom?”
Daan pakte het metalen doosje.
“Omdat jouw vader iets ontdekte.”
“Wat?”
“Een lijst.”
“Welke lijst?”
Hij keek mij recht aan.
“Een lijst met namen.”
Ik wachtte.
Maar hij zei niets.
“Daan…”
“De namen van mensen die de hele stad controleren.”
Mijn ogen werden groter.
“Politici?”
Hij knikte.
“Politie.”
Een stilte.
“Bedrijven.”
Nog een stilte.
“Zelfs mensen binnen mijn eigen familie.”
Ik keek naar het doosje.
Mijn vader had iets gevonden dat mensen bereid waren te doden om verborgen te houden.
“Waarom gaf hij het aan jou?”
Daan slikte.
“Omdat hij wist dat hij niet lang meer zou leven.”
Mijn ogen vulden zich met tranen.
“Dus mijn vader wist dat hij zou sterven?”
“Ja.”
“En jij wist dit?”
Daan keek naar de grond.
“Ja.”
De pijn die ik voelde was erger dan woede.
“Je hebt me laten geloven dat mijn vader gewoon pech had.”
“Het spijt me.”
zei hij zacht.
Maar deze keer wilde ik geen excuses.
Ik wilde de waarheid.
Voordat ik iets kon zeggen, klonk er een harde klap bij de voordeur.
Daan draaide zich om.
“Ze komen binnen.”
Hij pakte mijn hand.
“We moeten weg.”
Ik trok mijn hand terug.
“Nee.”
Hij keek verrast.
“Lotte.”
“Ik ben zes maanden lang een slachtoffer geweest.”
Ik keek hem recht aan.
“Vanavond niet meer.”
Voor het eerst zag ik een kleine verandering in zijn ogen.
Trots.
“Je bent echt veranderd.”
“Jij ook.”
zei ik.
“Alleen weet ik nog niet of ik je kan vertrouwen.”
Daan knikte langzaam.
“Dat begrijp ik.”
De voordeur brak open.
Stemmen klonken beneden.
Daan opende een verborgen deur achter een boekenkast.
Ik keek verbaasd.
“Onze woonkamer had een geheime uitgang?”
Hij keek mij aan.
“Er zijn veel dingen aan mij die je nooit hebt geweten.”
Dat antwoord deed pijn.
Maar er was geen tijd meer.
We gingen de donkere gang in.
Achter ons hoorden we mannen het huis doorzoeken.
“Waar gaan we heen?”
vroeg ik.
Daan keek vooruit.
“Naar de enige plek waar Milan ons niet kan vinden.”
“Waar?”
Hij keek mij aan.
“Naar de plek waar alles begon.”
“Waar?”
Zijn antwoord maakte mijn bloed koud.
“Het oude huis van je vader.”
Ik stopte.
“Maar dat huis is twintig jaar geleden verkocht.”
Daan schudde zijn hoofd.
“Nee.”
Hij hield het metalen doosje stevig vast.
“Dat was wat iedereen moest geloven.”
We liepen verder door de donkere tunnel.
Maar diep vanbinnen wist ik één ding zeker.
De waarheid over mijn vader…
Was nooit verdwenen.
Ze was alleen verborgen.
En nu…
Was ik eindelijk dicht genoeg gekomen om haar te vinden.






