DEEL 11: De vrouw die haar eigen moeder vermoord zou hebben
Ik.
Het woord bleef door mijn hoofd echoën.
Ik had Margriet haar medicijnen gegeven.
Elke dag.
Twintig jaar lang.
Ik wist precies welke pillen ze moest nemen.
Welke dosis.
Welke medicijnen absoluut niet samen mochten worden ingenomen.
Ik keek naar Anna.
“Je denkt dat ik haar heb vergiftigd?”
“Nee.”
Haar antwoord kwam onmiddellijk.
“Dan wie?”
Anna keek naar Thomas.
Thomas zei niets.
Ik voelde mijn hart sneller kloppen.
“Thomas?”
Hij keek mij eindelijk aan.
“Jij hebt haar niet vermoord.”
“Dat weet ik.”
“Maar iemand heeft jouw medicijnen vervangen.”
Ik verstijfde.
“Wat?”
“De laatste week.”
“Wie?”
“Dat weten we nog niet.”
Willem lachte vanaf de andere kant van de kamer.
“Jullie zoeken weer naar de verkeerde persoon.”
De politieagent die hem vasthield, duwde hem harder tegen de muur.
“Hou je mond.”
Willem glimlachte.
“Vraag haar maar wie de pillendoos heeft geopend.”
Iedereen keek naar mij.
Ik dacht na.
Mijn handen begonnen te trillen.
“Margriet had een pillendoos.”
Thomas knikte.
“Ja.”
“Die stond altijd op haar nachtkastje.”
“Ja.”
“Maar…”
Ik stopte.
“De ochtend voordat ze naar het ziekenhuis ging, stond hij ergens anders.”
Anna keek mij aan.
“Waar?”
“In de keuken.”
“Wie had hem daar neergezet?”
“Ik weet het niet.”
Thomas vroeg:
“Wie was er die ochtend in het huis?”
Ik probeerde me te herinneren.
“Ik.”
“Wie nog?”
“De huishoudster.”
“Wie?”
“Mevrouw Bakker.”
Thomas keek naar de politie.
“Zoek haar.”
Een agent pakte meteen zijn telefoon.
Maar Willem begon te lachen.
“Te laat.”
Ik keek hem aan.
“Wat weet jij?”
“Meer dan jij.”
“Vertel.”
“Waarom zou ik?”
“Omdat je gearresteerd wordt.”
Hij glimlachte.
“Dat maakt niets uit.”
Ik liep naar hem toe.
“Waarom niet?”
“Omdat de waarheid toch naar buiten komt.”
Hij keek naar mijn ketting.
“En als die waarheid eenmaal bekend is…”
Hij zweeg.
“Wat?”
“Dan zul je begrijpen waarom Margriet moest sterven.”
Mijn hart sloeg over.
“Waarom?”
Willem antwoordde:
“Omdat ze jou wilde vertellen wie je werkelijk bent.”
Ik keek naar Thomas.
Hij werd bleek.
“Wat bedoelt hij?”
Thomas zei:
“Dat is niet alles.”
“Wat dan?”
“Margriet had ontdekt wie jouw biologische vader werkelijk was.”
“Dat was Daniel.”
“Dat dachten we.”
Ik voelde mijn keel dichtknijpen.
“Wie dan?”
Thomas keek naar Willem.
“Niet Willem.”
Ik keek naar hem.
“Je hebt net gezegd dat hij mijn biologische vader was.”
“Hij heeft gelogen.”
Willem begon opnieuw te lachen.
“Dat heeft hij goed geleerd.”
Ik voelde mijn hoofd duizelen.
“Dus wie is mijn vader?”
Thomas antwoordde zacht:
“Dat weten we niet zeker.”
Ik voelde een vreemde leegte.
Mijn hele leven had ik één simpele waarheid gewild.
Een naam.
Een gezicht.
Een graf.
Maar telkens wanneer ik dacht dat ik hem gevonden had, verdween hij opnieuw.
“Wat staat er in de DNA-test?”
Thomas keek naar Helena.
Zij stond nog steeds met haar handen omhoog.
“Laat haar spreken,” zei Thomas.
Een agent keek haar aan.
“Wat weet je?”
Helena keek naar mij.
“Willem heeft nooit een DNA-test laten uitvoeren.”
Ik fronste.
“Maar hij zei…”
“Hij heeft een vervalste test.”
“Waarom?”
“Omdat hij jou wilde laten geloven dat je zijn dochter was.”
“Maar waarom?”
Helena keek naar Thomas.
“Omdat jij de enige persoon bent die toegang kan krijgen tot de erfenis.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Welke erfenis?”
Helena antwoordde:
“De erfenis van Daniel.”
Ik dacht aan de kluis.
De aandelen.
De documenten.
“Maar Margriet zei…”
“Margriet wist dat Daniel nog leefde.”
De kamer werd doodstil.
Ik voelde geen lucht meer.
“Wat?”
Thomas keek naar mij.
“Dat weten we niet zeker.”
“Helena zegt dat hij leeft.”
“Ja.”
“Dus mijn vader…”
“Misschien.”
Ik keek naar Willem.
Hij glimlachte.
“Je hebt altijd al op hem willen lijken.”
“Waar is hij?”
Willem zei:
“Dichterbij dan je denkt.”
Ik voelde een koude rilling.
Toen trilde mijn telefoon.
Een onbekend nummer.
Ik nam op.
“Hallo?”
Een mannenstem.
Oud.
Vermoeid.
Maar vreemd vertrouwd.
“Livia?”
Ik verstijfde.
Niemand had mij ooit zo genoemd.
Behalve Margriet.
“Wie bent u?”
Een lange stilte.
Toen:
“Je vader.”
Mijn hart stopte.
Ik keek naar Thomas.
Hij hoorde niets.
Ik zette de telefoon op luidspreker.
“Wie is mijn vader?”
De stem antwoordde:
“Daniel.”
Anna begon te huilen.
Thomas keek alsof hij een geest zag.
“Dat kan niet.”
De stem lachte zacht.
“Thomas.”
Mijn man verstijfde.
“Je bent groot geworden.”
Thomas liep langzaam achteruit.
“Wie bent u?”
“Je weet wie ik ben.”
“Je bent dood.”
“Nee.”
Ik voelde tranen in mijn ogen.
“Waar bent u?”
“Niet ver van jou.”
“Waarom heb je me verlaten?”
De stem werd stil.
Toen:
“Omdat ik dacht dat je veiliger zou zijn zonder mij.”
“Maar ik heb je nodig.”
“Dat weet ik.”
“Kom naar me toe.”
“Dat kan ik niet.”
“Waarom?”
“Omdat iemand naar je luistert.”
Ik keek naar de kamer.
De politie.
Helena.
Willem.
Anna.
Thomas.
Niemand bewoog.
“Wie?”
De stem fluisterde:
“De vrouw die Margriet heeft vermoord.”
Ik voelde mijn bloed koud worden.
“Wie?”
De verbinding werd verbroken.
Ik keek naar Anna.
Ze schudde haar hoofd.
“Nee.”
“Wat?”
“Ik weet wie het is.”
Iedereen keek naar haar.
“Wie?”
Anna begon te huilen.
“Mevrouw Bakker.”
De naam viel als een steen.
Thomas pakte onmiddellijk zijn telefoon.
“Ze is weg.”
“Waarheen?”
“Geen idee.”
Helena keek naar de deur.
“Ze was nooit zomaar een huishoudster.”
Ik draaide mij naar haar om.
“Wat bedoel je?”
“Ze werkte voor Willem.”
Willem schudde zijn hoofd.
“Niet voor mij.”
Helena keek hem aan.
“Voor wie dan?”
Willem antwoordde:
“Voor Daniel.”
Ik verstijfde.
“Dus mijn vader stuurde haar?”
“Ja.”
“Om Margriet te beschermen?”
Willem lachte.
“Nee.”
“Waarom dan?”
“Omdat Margriet iets had gestolen.”
“Wat?”
“Een document.”
Ik dacht aan de kluis.
De sleutel.
De geboorteakte.
“Welk document?”
Willem zei:
“Het enige document dat kan bewijzen wie jij werkelijk bent.”
Ik voelde mijn hand naar de zilveren ketting gaan.
“De geboorteakte?”
“Nee.”
“Wat dan?”
Willem keek mij recht aan.
“Het testament.”
Ik voelde een rilling.
“Van wie?”
“Van Daniel.”
Thomas zei:
“Dat testament bestaat niet.”
Willem glimlachte.
“Jawel.”
“Waar?”
“Bij haar.”
Hij wees naar mij.
Ik keek verbaasd naar mijn eigen lichaam.
“Bij mij?”
“Je draagt het al twintig jaar.”
Mijn vingers gingen naar de ketting.
Het kleine hangertje.
De sleutel.
Het metalen plaatje.
317.
“Dit?”
Willem knikte.
“Open het.”
Ik keek naar Thomas.
Hij schudde zijn hoofd.
“Niet hier.”
“Waarom?”
“Omdat iedereen kijkt.”
Ik keek naar de politie.
Toen naar Willem.
Toen naar Helena.
En plotseling begreep ik iets.
Margriet had de sleutel niet zomaar aan mij gegeven.
Ze wist dat ik hem zou meenemen.
Ze wist dat Willem hem zou zoeken.
Ze wist dat Thomas hem zou beschermen.
Maar ze had nooit gezegd dat ik hem meteen moest gebruiken.
Ik liep naar het raam.
Buiten stonden politieauto's.
Mensen.
Lichten.
En ergens daarbuiten was een man die beweerde mijn vader te zijn.
Daniel.
Levend.
Twintig jaar lang verdwenen.
Ik draaide me om.
“Waar is de tweede kluis?”
Thomas antwoordde:
“Onder het graf van Margriet.”
Ik keek naar hem.
“Dan gaan we.”
Anna pakte mijn hand.
“Ik ga mee.”
Ik knikte.
Sophie ook.
Maar voordat we konden vertrekken, klonk er een harde knal.
Iedereen dook naar beneden.
Het raam achter mij sprong kapot.
Een kogel sloeg in de muur.
De politie schreeuwde.
Helena trok mij naar de grond.
“Sniper!”
Thomas keek naar buiten.
“Niet zomaar een sniper.”
“Wie dan?”
Hij keek naar mij.
“Mevrouw Bakker.”
Ik voelde mijn hartslag versnellen.
“Waarom schiet ze op mij?”
Thomas keek naar de ketting om mijn hals.
“Omdat ze niet wil dat je ontdekt wat erin zit.”
Ik greep het hangertje vast.
“Dan ontdekken we het nu.”
Ik trok eraan.
Het zilver brak open.
Een klein opgevouwen papiertje viel in mijn hand.
Ik vouwde het langzaam open.
Er stond maar één zin.
“Livia, als je dit leest, is Daniel niet je vader.”
Ik keek naar Thomas.
Toen naar Anna.
Niemand sprak.
Op de achterkant stond nog één regel.
“Je vader is de man die je twintig jaar lang je echtgenoot hebt genoemd.”
Mijn handen werden ijskoud.
Ik keek naar Thomas.
Hij werd lijkbleek.
“Dat is onmogelijk.”
Maar diep vanbinnen wist ik al dat er maar één persoon was die Margriet hiermee kon bedoelen.
Thomas.






