DEEL 3 — DE BLAUWE KAMER
Achter in het boothuis ontdekte Claire een luik onder een oud visnet.
“Mijn vader gebruikte dit tijdens de oorlogsoefeningen van zijn jeugd,” zei ze terwijl ze het openrukte. “Het leidt naar het kanaal.”
De voordeur kraakte opnieuw.
Ik propte de brief, de recorder en het notitieboek in mijn tas. Daarna daalden we via een smalle ladder af.
Het water stond tot aan onze knieën.
Boven ons brak de deur open.
Zaklampen gleden door de ruimte.
Claire trok mij mee door een lage stenen tunnel. Achter ons klonken stemmen.
“Controleer de vloer!”
Aan het einde van de tunnel kwamen we uit tussen het riet. We bleven laag terwijl de zwarte wagens op enkele tientallen meters afstand stonden.
Een van de mannen goot benzine over de houten wand.
Enkele seconden later sloegen de vlammen omhoog.
Alexander was bereid een gebouw in brand te steken om een oud document te vernietigen.
Precies zoals hij tien jaar eerder mogelijk had gedaan.
We bereikten de wagen en reden zonder lichten over een smalle landweg. Pas toen het boothuis ver achter ons lag, durfde ik opnieuw adem te halen.
“Het landgoed is morgenavond gevuld met gasten,” zei Claire. “Alexander organiseert een benefietgala voor de Hendrik De Smet Stichting.”
“De stichting waarvan hij geld heeft gestolen.”
“De ironie ontgaat hem waarschijnlijk.”
“We gaan naar binnen.”
Claire keek mij aan alsof ik gek was geworden.
“Na vannacht verdubbelt hij de beveiliging.”
“Maar hij verwacht dat ik kom. Dat kunnen we gebruiken.”
De volgende dag bracht Claire mij naar een klein appartement boven een boekhandel in Gent. Daar woonde haar oude vriendin Nora, die jarenlang evenementen voor de familie De Smet had georganiseerd.
Met haar hulp kregen we twee personeelsbadges, zwarte serveeruniformen en een plattegrond van het landgoed.
De blauwe salon lag op de eerste verdieping, naast Alexanders privébibliotheek.
Emma’s kamer bevond zich in de oostelijke vleugel.
“Om elf uur houdt Alexander zijn toespraak,” zei Nora. “Dan staat bijna iedereen in de balzaal.”
“En de beveiliging?”
“De binnenploeg kijkt naar de gasten. De buitenploeg bewaakt de poorten.”
Het plan was eenvoudig.
Daarom wist ik dat het waarschijnlijk zou mislukken.
Om half tien reden limousines het landgoed op. De gevel was verlicht met honderden gouden lampen. Mannen in maatpakken en vrouwen in avondjurken stapten uit op de rode loper.
Op de achtergrond speelde een strijkkwartet.
Niemand zou vermoeden dat ergens in het huis een veertienjarig meisje tegen haar wil werd vastgehouden.
Ik liep met een dienblad champagneglazen door de balzaal.
Alexander stond bij het podium. Hij lachte met een minister en legde zijn hand op de schouder van een bekende havenbestuurder.
Van dichtbij zag hij eruit zoals hij altijd had gedaan.
Charmant.
Beheerst.
Volledig onaantastbaar.
Toen hij zich omdraaide, hield ik mijn hoofd omlaag.
Zijn blik gleed over mij heen.
Om elf uur precies tikte hij tegen zijn glas.
“Dames en heren, mijn vader geloofde dat rijkdom alleen betekenis heeft wanneer we haar delen.”
Claire stond aan de andere kant van de zaal, vermomd als medewerker van de catering.
Toen Alexander begon te spreken over integriteit en familie, glipte ik door een zijdeur.
De trap naar de eerste verdieping was leeg.
Ik vond de blauwe salon achter twee zware deuren. Binnen stonden donkerblauwe stoelen, oude schilderijen en de klok van Emma’s foto.
De wijzers stonden op kwart over negen.
Ik draaide ze voorzichtig naar 11:47.
Niets gebeurde.
Ik stak de zilveren sleutel in een nauwelijks zichtbaar slot onder de wijzerplaat.
Een mechanisme begon te bewegen.
De onderkant van de klok schoof open.
Binnen lagen een verzegelde map en een kleine metalen doos.
Ik pakte de map.
Het originele testament.
Hendriks handtekening stond onderaan, samen met die van twee getuigen.
In de metalen doos lag een tweede sleutel, kleiner en donkerder dan de eerste.
Daaronder stond één zin:
“De ring opent de haven.”
Plotseling gingen de lampen aan.
Alexander stond in de deuropening.
Naast hem stond zijn advocaat, Pieter Verhaegen.
“Je bent altijd voorspelbaar geweest, Elise.”
Ik klemde de map tegen mijn borst.
“Waar is Emma?”
“Veilig. Totdat jij besloot mijn huis binnen te breken.”
“Je houdt haar gevangen.”
“Mijn dochter woont bij mij op bevel van de rechtbank.”
“Ze heeft gelogen om hier binnen te komen.”
Zijn glimlach verdween.
“Heeft ze dat gezegd?”
Achter hem verscheen Emma.
Een beveiligster hield haar arm vast.
“Mama, het spijt me,” zei ze.
“Jij hoeft nergens spijt van te hebben.”
Alexander stak zijn hand uit.
“Geef mij het testament.”
“Nee.”
“Je denkt dat een stuk papier genoeg is om mij ten val te brengen?”
“Je vader heeft je opgenomen tijdens de brand.”
Voor het eerst zag ik echte angst in zijn ogen.
Slechts een fractie van een seconde.
Maar het was genoeg.
“Waar is de recorder?”
“Op een veilige plaats.”
Dat was gelogen.
Hij zat in mijn tas.
Alexander knikte naar de beveiliger.
De man kwam naar voren.
Op dat moment sloeg Emma haar hiel hard op de voet van de vrouw die haar vasthield. Ze rukte zich los en rende naar mij.
“Nu!” schreeuwde ze.
Ik duwde de metalen doos in haar handen.
Claire verscheen achter Alexander en trok het brandalarm van de muur.
Een oorverdovend geluid vulde het huis.
Beneden begonnen gasten te schreeuwen. De beveiligers draaiden zich om, onzeker of er werkelijk brand was.
Emma en ik stormden door een tweede deur.
We renden een gang in, maar aan het einde kwamen twee mannen op ons af.
Emma trok mij een kleine diensttrap op.
“Waar gaan we heen?”
“Naar opa’s kamer!”
We bereikten de zolderverdieping. Emma opende een kast en kroop achter een rij oude jassen.
Daarachter zat een smalle doorgang.
“Hoe wist je hiervan?”
“Opa liet hem mij zien toen ik vier was.”
De gang leidde naar een oude wijnkelder onder het huis. Daar stopten we eindelijk.
Emma sloeg haar armen om mij heen.
Nu begon ze wel te huilen.
“Ik wilde niet zeggen dat ik bij hem wilde wonen.”
“Ik weet het.”
“Hij zou jou laten arresteren als ik het niet deed. Hij had documenten gemaakt waarin stond dat jij geld had gestolen en mij mishandelde.”
“Het is niet jouw schuld.”
“Ik dacht dat ik het bewijs snel kon vinden.”
Ze haalde de metalen doos tevoorschijn.
Binnen lag nog steeds de kleine zwarte sleutel.
Maar de zegelring hadden we niet.
“Papa bewaart de ring altijd bij zich,” zei Emma. “Opa zei dat er een opslagplaats in de haven is die alleen met de ring en deze sleutel kan worden geopend.”
Boven ons klonken voetstappen.
“We moeten weg,” fluisterde ik.
Via een oude tunnel bereikten we de rand van het landgoed. Daar zou Claire ons opwachten.
Maar haar wagen was verdwenen.
Mijn telefoon ging.
Een bericht van een onbekend nummer.
Er stond een foto bij.
Claire zat tegenover Alexander in zijn bibliotheek.
Voor haar op tafel lagen de recorder en het halfverbrande notitieboek.
Daaronder stond:
“Je vertrouwde opnieuw de verkeerde De Smet.”
In de verte klonken sirenes.
Niet voor Alexander.
Op mijn telefoon verscheen een nieuwsbericht.
MILJARDAIR ALEXANDER DE SMET SLAAT ALARM: EX-VROUW ONTVOERT DOCHTER TIJDENS BENEFIETGALA.
Mijn foto stond eronder.
De politie zocht mij.
Alexander had de recorder.
Het originele testament zat nog in mijn tas, maar zonder de rest van het bewijs kon hij beweren dat het vervalst was.
Emma keek naar de weg achter ons.
Twee politiewagens draaiden het landgoed op.
“Mama,” fluisterde ze. “Wat moeten we nu doen?”
Voordat ik kon antwoorden, kwam uit de duisternis een man naar ons toe.
Notaris Pieter Verhaegen.
De advocaat die enkele minuten eerder nog naast Alexander had gestaan.
Hij hield beide handen zichtbaar voor zich.
“Loop niet weg,” zei hij.
“Ik weet wat er vannacht met Hendrik is gebeurd.”
“En ik weet waar Alexander het laatste bewijs bewaart.”






