HET GEHEIM VAN ANTWERPEN
News Story

HET GEHEIM VAN ANTWERPEN

6 weergaven

Het geluid van de verbreektoon klonk genadeloos door de speaker van de telefoon. Tuut... tuut... tuut...

Milan en ik staarden in stomme verbijstering naar het schermpje. De kou van de stoep leek door mijn botten heen te dringen. Victoria Van den Berg had Julian in haar macht. De zoon die ik dertig jaar geleden was kwijtgeraakt, de zoon die op dit moment machteloos en in coma op een ziekenhuisbed lag, werd gebruikt als een pion in een dodelijk spel.

"Ze meent het, mama," zei Milan, zijn stem trillend van ingehouden woede en angst. "Ze is gek genoeg om het te doen. Ze heeft dertig jaar geleden mijn vader kapotgemaakt, ze zal niet twijfelen om Julian te vermoorden."

Ik stond moeizaam op, leunend tegen de stenen muur van de kerk om mijn pijnlijke enkel te ontlasten. "We kunnen die papieren niet aan haar geven, Milan. Als we dat doen, vernietigt ze het bewijs én vermoordt ze ons alsnog alle drie. Getuigen laat ze nooit leven."

Milan keek naar de stapel documenten in zijn handen. "Maar we kunnen Julian daar ook niet laten sterven! We hebben maar één uur!"

Ik dwong mezelf om rustig na te denken. Dertig jaar lang had ik me schuilgehouden, bang voor de schaduwen van het verleden. Maar die nacht was er iets in mij veranderd. De schulp van de angst was gebroken toen ik mijn twee zonen weer 'samen' zag. Ik was niet langer het machteloze, jonge meisje uit de bakkerij. Ik was een moeder die vocht voor het leven van haar kinderen.

"Luister naar me, Milan," zei ik, terwijl ik zijn schouders vastpakte en hem recht in de ogen keek. "We gaan het spel op onze manier spelen. Jij gaat onderzoeksrechter De Vos zoeken. Jij geeft hem kopieën van deze documenten."

"En jij dan?" vroeg Milan geschokt. "Wat ga jij doen?"

"Ik ga terug naar het ziekenhuis," zei ik strak. "Ik ga naar Victoria."

"Nee! Dat is zelfmoord, mama! Ze vermoordt je!"

"Ze heeft mij nodig," zeide ik met een kille overtuiging die ik mezelf nooit toegekend zou hebben. "Victoria wil weten hoeveel wij precies weten. Ze wil weten waar de originelen zijn. Zolang ik haar aan het lijntje houd en doe alsof jij onderweg bent met de documenten, koopt dat tijd. Tijd voor jou om De Vos te bereiken en met de federale politie naar het ziekenhuis te komen."

Milan twijfelde. Ik zag de strijd in zijn ogen. Hij wilde zijn moeder niet alleen laten gaan, maar hij wist dat het de enige kans was om Julian te redden en de familie Van den Berg definitief op te pakken.

"Hoe maak ik kopieën op dit uur van de nacht?" vroeg hij.

"Je kent de stad, Milan. Je bent accountant. Je hebt een sleutel van je eigen kantoor in het centrum, nietwaar?"

Milan knikte langzaam. "Ja... mijn kantoor is hier drie straten vandaan. Daar staat een snelle scanner en kopieermachine. Ik kan alles inscannen en direct doorsturen naar het beveiligde netwerk van het gerechtshof."

"Doe dat. Scan alles in, stuur het naar De Vos, en kom dan met de autoriteiten naar kamer 304 in Sint-Elisabeth," zei ik. "En Milan... wees voorzichtig. Eric loopt ook nog ergens rond."

Milan trok me in een snelle, stevige omhelzing. "Wees voorzichtig, mama. Verlies geen tijd."

We gingen uit elkaar. Milan verdween met snelle stappen door de smalle steegjes richting zijn kantoor, terwijl ik mezelf naar de dichtstbijzijnde hoofdweg sleepte. Mijn voet deed verschrikkelijk pijn, maar geluk stond aan mijn zijde: er stopte een lege taxi bij de bushalte. Ik stapte in en zei met dringende stem: "Sint-Elisabeth ziekenhuis. Snel alstublieft, het is een noodgeval."

Tien minuten later reed de taxi het terrein van het ziekenhuis op. Ik betaalde de chauffeur met het weinige briefgeld dat ik nog in de zak van mijn ochtendjas vond en stapte uit. De regen was eindelijk opgehouden, maar de lucht was snijdend koud.

Ik stapte de centrale hal van het ziekenhuis binnen. De nachtportier keek even op van zijn scherm, maar liet me doorlopen toen hij de bloedige sloffen en de verwaarloosde staat van mijn kleding zag — waarschijnlijk denkend dat ik een verwarde patiënt was.

Ik nam de lift naar de derde verdieping. Het gezoem van de liftcabine klonk als een aftellende klok. Nog dertig minuten.

Toen de deuren op de derde verdieping openzoefden, was de gang uitgestorven. De kamer van Julian, nummer 304, lag helemaal aan het einde van de gang. Het raam van de kamer was half afgedekt met een gordijn, maar ik zag het silhouet van een rolstoel en een gedaante die erin zat.

Ik haalde diep adem, balde mijn vuisten in mijn zakken en stapte op de deur af.

Ik duwde de deur open.

Binnen in de kamer zat Victoria Van den Berg in haar rolstoel naast het bed van Julian. Op de nachttafel lag niet alleen haar wandelstok, maar ook een klein, glimmend spuitje gevuld met een heldere vloeistof. Haar hand rustte op de hoofdschakelaar van de beademingsmachine.

In de hoek van de kamer stond Eric Van den Berg. Zijn gezicht was zwart van het roet van de brand, zijn kleding geurde naar rook, en zijn ogen stonden wild en gevaarlijk. Hij hield een nieuw pistool in zijn hand.

"Nora," zei Victoria, zonder haar hoofd om te draaien. "Je bent precies op tijd. Maar ik zie geen zoon bij je. En ik zie geen documenten."

Ik zette een stap de kamer binnen en liet de deur achter me in het slot vallen. "Milan is onderweg met de papieren," loog ik ijskoud. "Hij wilde zeker weten dat Julian nog leefde voordat hij het origineel aan u overhandigt."

Eric zette een stap naar voren en greep me ruw bij mijn arm. Hij duwde de koude loop van zijn pistool tegen mijn slaap. "Lieg niet tegen ons, oude vrouw! Waar is Milan?"

Ik keek Eric recht in de ogen aan, zonder ook maar één spier te vertrekken. "Als je mij neerschiet, Eric, krijgt je moeder nooit meer te weten waar de documenten zijn. En geloof me... Milan heeft opdracht gekregen om alles openbaar te maken als ik hier over tien minuten niet levend naar buiten wandel."

Victoria draaide haar rolstoel langzaam naar mij toe. Een ijzige, wrede glimlach verscheen op haar rimpelige gelaat. "Je bent moediger geworden in dertig jaar, Nora. Maar je bent nog steeds ontzettend naïef."

Ze reikte naar het spuitje op de nachttafel en pakte het op. "Je denkt dat je tijd wint. Maar wat jij niet weet, is dat de onderzoeksrechter De Vos... al vijf minuten geleden door mijn mensen is opgevangen."

Mijn hart stond stil.