DEEL 11: De vrouw achter het geheim
Ik bleef met mijn telefoon in mijn hand staan.
De verbinding was verbroken.
Niemand zei iets.
Zelfs Erik niet.
Mijn vader keek mij aan.
“Wat zei ze?”
Ik slikte.
“Emma heeft gelogen.”
Peter sloot zijn ogen.
“Dat wist ik.”
Ik keek hem aan.
“Wat wist je?”
“Dat ze betrokken was.”
“Maar niet dat zij je moeder heeft geduwd.”
Peter schudde zijn hoofd.
“Dat wist ik niet.”
Thomas keek naar de deur.
“Waar is ze nu?”
Ik keek naar mijn telefoon.
“Ze wacht op ons.”
Mijn vader kwam naar me toe.
“Je gaat nergens heen.”
Ik keek hem aan.
“Dat zei je twintig jaar geleden waarschijnlijk ook tegen mama.”
Hij verstijfde.
“En toch ging ze.”
Mijn stem trilde.
“Deze keer ga ik zelf.”
Thomas kwam naast me staan.
“Dan ga ik mee.”
Mijn vader wilde protesteren.
Maar ik hief mijn hand.
“Niet jij.”
Hij keek gekwetst.
“Waarom?”
“Omdat ik niet meer weet wanneer je tegen me liegt.”
Hij zweeg.
Dat was misschien nog erger dan een antwoord.
* * *
We verlieten de kelder.
Boven bleef mijn vader bij Peter en Helena.
Thomas en ik liepen naar de auto.
Onderweg zei hij geen woord.
Pas toen we instapten, keek hij naar mij.
“Denk je echt dat Emma dit allemaal heeft gepland?”
“Ja.”
“Waarom?”
“Ik weet het niet.”
Hij keek naar de sleutel in mijn hand.
“Misschien weet zij waar de lijst is.”
Ik knikte.
“En misschien wil ze dat wij hem vinden.”
“Waarom zou ze dat willen?”
Ik keek uit het raam.
“Omdat mijn moeder iets wist.”
“Wat?”
“Dat weet ik nog niet.”
Thomas startte de auto.
“Waar gaan we heen?”
Ik pakte mijn telefoon.
Er stond één nieuw bericht.
Geen nummer.
Alleen een locatie.
Een oud treinstation aan de rand van de stad.
Daaronder stond:
Kom alleen.
Thomas keek naar het scherm.
“Dat is een val.”
“Waarschijnlijk.”
“Dan gaan we niet.”
Ik keek hem aan.
“Ze heeft twintig jaar gewacht.”
“Ze verwacht dat ik bang ben.”
“En misschien heeft ze gelijk.”
Thomas zette de auto in beweging.
“Dan zijn we voorzichtig.”
* * *
Het oude station was bijna verlaten.
De meeste ramen waren kapot.
Onkruid groeide tussen de stenen.
Er stond één oude lantaarn te branden.
We stapten uit.
“Blijf achter me,” zei Thomas.
Ik glimlachte flauwtjes.
“Dat zeg jij nu?”
Hij keek me aan.
“Ja.”
We liepen naar binnen.
Geen Emma.
Geen geluid.
Alleen het zachte tikken van een oude klok.
Toen hoorde ik een stem.
“Je bent gekomen.”
Ik draaide me om.
Emma stond aan het einde van de hal.
Ze droeg dezelfde donkere jas als eerder.
Maar nu zag ze er anders uit.
Niet meer als een vermoeide oude vrouw.
Ze stond rechtop.
Kalm.
Zelfverzekerd.
Alsof ze eindelijk niet meer hoefde te doen alsof.
“Waarom heb je mijn moeder geduwd?”
Emma keek mij lang aan.
“Omdat ze mij niet langer wilde helpen.”
“Helpen waarmee?”
“Met de lijst.”
Ik voelde mijn woede oplopen.
“Dus alles ging om geld?”
“Nee.”
“Om macht?”
“Ook niet.”
“Wat dan?”
Emma keek naar Thomas.
“Om controle.”
Thomas fronste.
“Over wie?”
“Over iedereen.”
Ze liep langzaam naar ons toe.
“Je moeder dacht dat de lijst alleen corruptie zou blootleggen.”
“Maar ze begreep niet wat erachter zat.”
“Wat zat erachter?”
Emma keek mij aan.
“De lijst was geen lijst van slachtoffers.”
“Het was een lijst van mensen die allemaal betrokken waren.”
“Zelfs je moeder?”
Emma knikte.
Mijn adem stokte.
“Dat lieg je.”
“Vraag je vader.”
“Hij zal weer liegen.”
“Dan vraag je Peter.”
Ik keek naar Thomas.
Hij zei niets.
Emma glimlachte.
“Zie je?”
“Niemand weet nog wie de waarheid spreekt.”
Ze haalde een oude envelop uit haar jas.
“Daarom heb ik dit bewaard.”
Ze gooide de envelop naar mij.
Ik ving hem.
Op de voorkant stond:
Sophie — openen als iedereen liegt.
Ik opende hem.
Binnenin zat een klein vel papier.
Er stond maar één naam.
Alexander Vermeer.
Ik keek naar Emma.
“Waarom staat mijn vader hier?”
“Lees de achterkant.”
Ik draaide het papier om.
Daar stond:
De enige persoon die wist dat ik zou verdwijnen.
Mijn hart sloeg over.
“Wat betekent dit?”
Emma antwoordde:
“Je vader wist dat je moeder niet terug zou komen.”
Ik schudde mijn hoofd.
“Nee.”
“Hij wist dat ze zou verdwijnen.”
“Dat is iets anders.”
Emma keek mij aan.
“Is het?”
Op dat moment hoorde ik voetstappen.
Thomas draaide zich om.
“Wie is daar?”
Mijn vader kwam de hal binnen.
Hij keek naar Emma.
“Stop.”
Emma glimlachte.
“Te laat.”
Mijn vader keek naar mij.
“Sophie, kom hier.”
Ik bleef staan.
“Waarom wist jij dat mama zou verdwijnen?”
Hij keek naar de grond.
“Omdat ik haar heb geholpen.”
Ik voelde mijn hart breken.
“Waarmee?”
“Met vluchten.”
Ik keek hem ongelovig aan.
“Wat?”
“Je moeder wilde weg.”
“Ze wilde jou en mij beschermen.”
“Dus ik hielp haar.”
“Maar…”
Hij keek naar Emma.
“Emma heeft haar gevonden.”
Emma schudde haar hoofd.
“Niet ik.”
“Wie dan?”
Mijn vader antwoordde:
“Helena.”
Thomas keek naar zijn moeder.
“Waarom?”
Helena kwam achter mijn vader vandaan.
Ze huilde.
“Omdat ik dacht dat ze ons allemaal zou verraden.”
Ik keek naar haar.
“En toen?”
“Toen kreeg ik opdracht haar tegen te houden.”
“Van wie?”
Helena keek naar Emma.
Mijn adem stokte.
Emma glimlachte.
“Eindelijk.”
“De waarheid begint boven water te komen.”
Ik draaide me naar haar.
“Jij gaf de opdracht?”
Ze knikte.
“Maar niet alleen.”
“Wie hielp je?”
Emma keek naar Peter.
Hij verstijfde.
“Zeg het,” zei ze.
Peter keek naar mij.
“Je moeder kwam die avond niet alleen.”
“Ze had iemand bij zich.”
“Wie?”
Peter antwoordde zacht:
“Jou.”
Ik voelde mijn lichaam verstijven.
“Maar ik was zes.”
“Ja.”
“Waarom zou ze mij meenemen?”
Peter haalde diep adem.
“Omdat ze wist dat ze misschien niet terug zou komen.”
Mijn ogen vulden zich met tranen.
“En toen?”
“Toen gebeurde het ongeluk.”
Ik schudde mijn hoofd.
“Het was geen ongeluk.”
Peter keek naar Emma.
“Nee.”
“Maar er was nog iets.”
Hij pakte een oude foto uit zijn zak.
Hij gaf hem aan mij.
Ik keek ernaar.
Mijn moeder stond naast mij.
Daarachter stond Emma.
Maar helemaal aan de rand van de foto stond nog iemand.
Een jonge man.
Ik herkende hem niet.
Tot mijn vader naar de foto keek.
Zijn gezicht veranderde.
“Dat is onmogelijk.”
“Wie is het?” vroeg ik.
Mijn vader zei niets.
Erik kwam dichterbij.
Hij keek over mijn schouder.
Toen fluisterde hij:
“Dat is jouw oom.”
Ik keek naar hem.
“Welke oom?”
Erik antwoordde:
“De broer van je moeder.”
“Maar je moeder zei altijd dat hij dood was.”
Emma glimlachte.
“Hij is niet dood.”
“Hij leeft.”
“En hij heeft de lijst.”
Mijn telefoon trilde.
Een nieuw bericht.
Dit keer stond er geen dreigement.
Alleen:
“Sophie, ik ben de enige die je moeder werkelijk kende.”
Daaronder stond een adres.
En een naam.
Lucas Vermeer.
Mijn vaders gezicht werd wit.
“Daar mag je niet heen.”
Ik keek hem aan.
“Waarom niet?”
Hij antwoordde nauwelijks hoorbaar:
“Omdat Lucas degene was die je moeder die avond heeft neergestoken.”
De hal werd stil.
Ik keek naar de naam op mijn scherm.
Lucas Vermeer.
Mijn moeders broer.
De man die al twintig jaar dood werd gewaand.
De man die blijkbaar nog leefde.
En die mij nu zelf had uitgenodigd.
Wordt vervolgd…






