DEEL 8 — “MIJN TWEELINGZUS WILDE MIJN LEVEN”
Ik kon niets zeggen.
De vrouw voor onze auto keek me aan alsof ze naar haar eigen spiegelbeeld keek.
Mijn tweelingzus.
Mijn hele leven had ik gedacht dat ik enig kind was.
En nu stond zij daar.
Levend.
Ouder.
Kouder.
En omringd door vijf gewapende mannen.
Thomas zette de motor uit.
“Blijf zitten.”
Mijn zus glimlachte.
“Altijd zo beschermend, Thomas.”
Hij keek haar aan.
“Charlotte.”
Ik voelde mijn hart bonzen.
“Charlotte?”
Ze keek naar mij.
“Dat is mijn naam.”
“Waarom heb ik nooit van je gehoord?”
“Omdat iedereen wilde dat je me vergat.”
“Wie?”
Ze lachte bitter.
“Onze vader.”
Ik keek naar Eva.
Mijn moeder.
Ze huilde stil.
“Waarom?”
Charlotte antwoordde:
“Omdat hij maar één erfgenaam wilde.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“En daarom werden wij gescheiden?”
“Niet alleen daarom.”
Ze liep dichter naar de auto.
“Hij wilde weten welke van ons het sterkst was.”
“Wat?”
“Project 17.”
Thomas stapte uit.
“Charlotte, stop.”
Ze richtte haar blik op hem.
“Je hebt geen recht om mij te vertellen wat ik moet doen.”
“Je weet niet wat je doet.”
“Jawel.”
Ze wees naar mij.
“Zij heeft alles gekregen.”
“Dat was nooit haar keuze.”
“Dat maakt het niet minder oneerlijk.”
Ik stapte uit.
Thomas probeerde me tegen te houden.
Maar ik liep naar Charlotte.
We stonden tegenover elkaar.
Het voelde vreemd.
Alsof ik naar mezelf keek.
Alleen haar ogen waren anders.
Hard.
Vermoeid.
“Wat wil je?”
Charlotte antwoordde:
“Wat van mij is.”
“Het geld?”
“Niet alleen het geld.”
“Wat dan?”
Ze keek naar Thomas.
“De waarheid.”
Thomas zweeg.
Charlotte zei:
“Hij heeft je nooit verteld wat er op de avond van onze geboorte gebeurde.”
Ik keek naar hem.
“Wat gebeurde er?”
Thomas keek naar Eva.
Eva schudde langzaam haar hoofd.
“Niet hier.”
Charlotte lachte.
“Zie je?”
Ze keek naar mij.
“Ze liegen nog steeds tegen je.”
Ik voelde woede opkomen.
“Dan vertel jij het.”
Charlotte haalde een map uit haar jas.
Ze gooide hem op de motorkap.
“Open.”
Ik pakte de map.
Bovenaan stond:
PROJECT 17 — TWEELINGEN.
Daaronder stonden twee namen.
LENA DE BRUIN.
CHARLOTTE DE BRUIN.
Ik las verder.
Mijn handen begonnen te trillen.
Er stond dat we als baby waren gescheiden.
Ik was naar een pleeggezin gebracht.
Charlotte bleef bij onze vader.
Maar er stond nog iets.
“DOEL: BEPALEN WELKE DOCHTER HET NETWERK KAN ERVEN.”
Ik keek op.
“Dit is krankzinnig.”
Charlotte knikte.
“Dat was onze jeugd.”
Ik keek naar Eva.
“Waarom liet je dit gebeuren?”
Ze huilde.
“Ik had geen macht.”
“Je was onze moeder!”
“Ik was een gevangene.”
Charlotte schreeuwde:
“Je hebt ons allebei verlaten!”
Eva begon te huilen.
“Ik probeerde jullie te redden.”
Charlotte richtte haar wapen op de grond.
“Je hebt gefaald.”
Thomas liep naar voren.
“Genoeg.”
Charlotte keek hem aan.
“Jij hebt geen recht om hier te staan.”
“Waarom niet?”
“Omdat jij degene was die mij naar die kliniek bracht.”
Thomas verstijfde.
Ik keek hem aan.
“Wat bedoelt ze?”
Hij antwoordde niet.
Charlotte zei:
“Hij kreeg opdracht om mij te laten verdwijnen.”
Mijn hart sloeg over.
“Heb je dat gedaan?”
Thomas keek me aan.
“Ik had geen keuze.”
“Dat is geen antwoord.”
Hij zuchtte.
“Ja.”
Ik voelde tranen opkomen.
“Je hebt mijn zus laten verdwijnen?”
“Voor een korte tijd.”
Charlotte lachte.
“Tien jaar.”
Ik keek Thomas aan.
“Tien jaar?”
Hij knikte.
“Maar ik heb haar uiteindelijk gevonden.”
Charlotte keek naar hem.
“Te laat.”
Een van de gewapende mannen kwam dichterbij.
“Charlotte, we moeten gaan.”
Ze keek naar mij.
“Je komt met ons mee.”
Ik schudde mijn hoofd.
“Nee.”
“Je begrijpt het niet.”
“Jawel.”
“Als jij niet meegaat, zullen ze je vermoorden.”
“Wie?”
Ze wees naar Thomas.
“Hij.”
Thomas verstijfde.
“Dat is niet waar.”
Charlotte pakte haar telefoon.
Ze liet een video zien.
Op het scherm stond Thomas.
Veel jonger.
Hij stond naast onze vader.
Mijn vader gaf hem een dossier.
Toen zei hij:
“Als ze ooit achter de waarheid komen, moet je beide meisjes uitschakelen.”
Mijn hart stopte.
Ik keek naar Thomas.
“Heb jij dat gehoord?”
“Ja.”
“En wat deed je?”
Hij keek me aan.
“Ik kon het niet.”
Charlotte lachte.
“Maar je hebt het geprobeerd.”
Thomas schudde zijn hoofd.
“Nee.”
“Je hebt mij laten verdwijnen.”
“Omdat ik je wilde redden.”
“En haar?”
Hij keek naar mij.
“Omdat ik verliefd op haar werd.”
Ik voelde mijn ogen branden.
Charlotte keek naar mij.
“Zie je?”
“Wat?”
“Je was zijn zwakke plek.”
Ik begreep eindelijk waarom iedereen zo bang voor mij was.
Niet omdat ik rijk was.
Niet vanwege het geld.
Maar omdat ik de enige persoon was die Thomas niet kon opofferen.
Charlotte draaide zich om.
“Stap in de auto.”
Ik keek naar Noah.
Hij stond achter Thomas.
Ik kon hem niet achterlaten.
“Noah gaat met mij mee.”
Charlotte keek naar hem.
“Ja.”
Thomas schudde zijn hoofd.
“Charlotte, nee.”
Ze glimlachte.
“Waarom?”
“Omdat hij niets met dit alles te maken heeft.”
“Hij is jouw zoon.”
“Precies.”
Charlotte keek naar mij.
“En jij bent zijn bescherming.”
Ik voelde een vreemde rust.
“Wat wil je van mij?”
Charlotte kwam dichterbij.
“Ik wil dat je de kluis opent.”
“Welke kluis?”
“De tweede.”
Ik keek haar aan.
“Er is nog een kluis?”
“Ja.”
“Waar?”
Ze wees naar mijn borst.
Ik fronste.
“Wat bedoel je?”
Ze zei:
“De sleutel zit niet in een kluis.”
Ze tikte tegen mijn ketting.
“Hij zit in jou.”
Ik keek naar de gouden ketting.
Mijn moeder had hem gegeven.
Op de achterkant stond mijn geboortedatum.
Charlotte pakte een klein mesje.
Ze draaide de hanger om.
Er klikte iets.
De hanger opende zich.
Binnenin zat een minuscuul zwart geheugenkaartje.
Ik staarde ernaar.
Thomas werd bleek.
“Waar heb je dat vandaan?”
Charlotte glimlachte.
“Onze vader gaf het aan mij.”
“Dat kan niet.”
“Hij gaf mij de ene helft.”
Ze keek naar mij.
“En jou de andere.”
Ik voelde mijn vingers trillen.
“Wat staat erop?”
Charlotte keek naar de vijf mannen.
“De volledige lijst.”
“Welke lijst?”
“De lijst met alle mensen die Project 17 hebben gefinancierd.”
Ik keek naar de geheugenkaart.
“Waarom heb je hem niet zelf geopend?”
Charlotte glimlachte.
“Omdat de kaart alleen werkt met jouw DNA.”
Mijn hart sloeg over.
Thomas keek naar mij.
“Niet doen.”
Ik keek hem aan.
“Waarom?”
“Omdat als je hem opent…”
Hij zweeg.
“Wat?”
“Dan weten ze waar we zijn.”
Op dat moment begon de geheugenkaart in mijn hand rood te knipperen.
Eén keer.
Twee keer.
Drie keer.
Charlotte keek geschrokken.
“Dat is onmogelijk.”
“Wat gebeurt er?”
Ze keek naar mij.
“Hij heeft al verbinding gemaakt.”
“Met wie?”
Charlotte keek naar de lucht.
Toen hoorde ik boven ons een helikopter.
Een zwarte helikopter verscheen boven de weg.
De gewapende mannen keken omhoog.
Charlotte fluisterde:
“Ze zijn ons gevolgd.”
De helikopter landde verderop.
Een deur ging open.
Een man stapte eruit.
Ik kende hem.
Ik had hem al eerder gezien.
Hij was degene die mijn man dood had verklaard.
De arts.
Maar deze keer droeg hij geen doktersjas.
Hij droeg een zwart uniform.
Hij liep recht op ons af.
En zei:
“Lena, je vader wil met je praten.”
Ik voelde mijn bloed koud worden.
“Mijn vader is dood.”
De man glimlachte.
“Nee.”
Hij wees achter zich.
“Hij wacht op je.”






